|
Historische locaties in de wijk
De Liesbosch
Het huidige Liesbospark ontleent zijn naam aan de voormalige buitenplaats en steenbakkerij De Liesbosch. Maar al voor de aanleg van deze buitenplaats werd dit gebied ‘Liesbosch’ genoemd, vanwege de drassige grond waar ‘lies en bies’ groeide. De buitenplaats besloeg een terrein van 3,5 ha langs de Vaartsche Rijn, het middeleeuwse kanaal van Utrecht naar ’t Gein en Vreeswijk, waarvan het tracé nu deels samenvalt met dat van het Merwedekanaal. Het buitenhuis zelf stond aan de vaart, net ten zuiden van de dijk die van oudsher de grens vormde tussen de ontginningsgebieden Hoog- en Laagraven (de latere Liesbosweg). Het werd in 1659 gebouwd door de succesvolle steenfabrikant Adriaen van Oort, de vader van François van Oort, die eind 17e eeuw verder naar het noorden het huis Rotsoord aan de vaart liet bouwen. Na zijn dood viel De Liesbosch toe aan zijn jongste zoon Gerard en zijn nazaten. In 1757 werd de buitenplaats geveild. De advertentie sprak van ‘een fraje en welkgelege plaisier off buytenplaats’, met daarbij ook ‘een thuynmans woning, koeystal, daghuurders huisje, steene speelhuys en grote thuyn, beplant met allerley soort van fijne vrugtbomen en voorts in eenig land, bepoot met bosch- en houtgewas’. Het hele complex werd gekocht door Cornelia Johanna van Ravesteyn, als huwelijksgeschenk voor haar zoon. Ten zuiden van het huis liet zij twee steenovens bouwen met bijbehorende loodsen. Daartoe moest een deel van het bijbehorende bos worden gerooid en verschillende vijvers en sloten gedempt. Voor de aanvoer van ‘steenaarde’ werd een vletsloot aangelegd vanaf de Vaartse Rijn naar de steenbakkerij. Weldra verrezen hier ook diverse loodsen en een woning voor de ovenbaas en een reeks arbeiderswoningen. Het huis zelf liet ze moderniseren, waarbij het oude 17de-eeuwse huis werd opgenomen in een blokvormig gebouw met grote ramen in de gevels. In 1799 werd De Liesbosch opnieuw verkocht, ditmaal aan Willem Jacob de Graaff, oud-gouverneur van Ceylon. Vermoedelijk was hij het die de tuin heeft laten veranderen in een park in Engelse landschapsstijl. In de tweede helft van de 19de eeuw maakte de steenbakkerij onder leiding van de nieuwe eigenaar Willem Jan Mijnlieff een periode van bloei door. Onder leiding van deze uit Gouda afkomstige steenfabrikant werden de eerste stappen op het pad van de mechanisatie gezet. Zijn zoon Jan Willem Mijnlieff zette het bedrijf voort. Deze verkocht in 1904 een deel van het ten zuiden van de fabriek gelegen landgoed aan de gebroeders Fernhout, die het bos langs de vaart kapten om er een scheepswerf te vestigen. Nadat scheepswerf De Liesbosch in handen kwam van de NV Amsterdamsche Ballast Maatschappij, groeide zij uit tot een bloeiend bedrijf, dat standhield tot 1989.  Om met de opkomende steenbakkerijen langs de grote rivieren te kunnen blijven concurreren, liet Jan Willem Mijnlieff in 1916 de oude oven, een dubbele veldoven, vervangen door een moderne ringoven. Deze nieuwe oven, een zogenaamde vlamoven, werd gebouwd vermoedelijk naar een ontwerp van Joost Wentink, eigenaar van een steenbakkerij aan de overzijde van de Vaartsche Rijn. Anders dan de oude oven werd deze vlamoven niet meer met turf gestookt maar met kolen. Dat maakte de oven bij uitstek geschikt voor het bakken van harde bakstenen en straatklinkers. In 1928 werd de fabriek opnieuw verbouwd: de zijmuren werden opnieuw opgetrokken, ditmaal met een verdieping boven de oven, die als drogerij werd ingericht. Ondanks een niet onaanzienlijke productiestijging had het bedrijf toch moeite om zich staande te houden. Toen Jan Willem Mijnlieff elf jaar later overleed, kwam er een einde aan het voortbestaan van de fabriek. In 1941 werden het meubilair en de overige goederen verkocht en in 1948 volgde de sloophamer. Alleen van de steenfabriek staat nog een deel overeind.
|